Leo Lucassen

Leo Lucassen

@Leolucassen

Leo Lucassen is hoogleraar arbeids- en migratiegeschiedenis en Directeur Onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.

Opinie

We moeten af van het dodelijke Fort Europa

04 november 2019 06:11

"Mam en pap, ik hou van jullie, maar ik kan niet meer ademen", zo appte de 26-jarige Pham Thi Tra My aan haar ouders vlak voordat ze met 38 andere Vietnamezen overleed in een koelwagen in Essex op 23 oktober van dit jaar.

Dit gruwelijke voorval  maakt opnieuw duidelijk wat de gevolgen van het restrictieve Europese, en in dit geval Engelse, vreemdelingenbeleid kunnen zijn. Hoewel dit soort specifieke incidenten gelukkig tamelijk zeldzaam is - het vorige dateert van juni 2000 toen 58 Chinezen in Dover de dood vonden - is sinds de jaren negentig van de vorige eeuw het aantal doden aan de zuidgrens van de Europese Unie dramatisch toegenomen.

Waar het fenomeen 'grensdoden' tijdens de Koude Oorlog was voorbehouden aan het streng bewaakte ijzeren gordijn tussen het Oostblok en het 'vrije Westen', heeft in de afgelopen dertig jaar de Middellandse Zee zich ontwikkeld tot veruit het meest dodelijke grensgebied ter wereld.

Stierven aan de grens tussen Oost- en West-Duitsland in de veertig jaar tussen 1949 en 1989 327 mensen, in de dertig jaar sinds 1988 lieten aan de zuidgrens van de EU bij benadering zo'n 38.000 migranten het leven. Daarmee voert die grens al jaren de wereldranglijst aan. Met in 2019 driemaal zoveel doden als nummer twee, de Mexicaans-Amerikaanse grens.

En daar komt nog een onbekend aantal mensen bij die in de Sahara verdrogen. Een route die sinds 2016 steeds gevaarlijker is geworden omdat de EU staten als Niger en Mali betaalt om migranten al aan zuidgrens van de Sahara tegen te houden.

Overigens is lang niet iedere migrant (of het nu asielzoekers zijn of arbeidsmigranten) aangewezen op de gevaarlijke reis per boot. Een deel komt per vliegtuig, met valse paspoorten, of door langer te blijven dan hun visum toestaat. Feit is dat sinds het begin van de jaren negentig het risico voor migranten die aangewezen zijn op irreguliere routes aanzienlijk is toegenomen. In de naoorlogse migratiegeschiedenis van West-Europa zijn tot de eeuwwisseling nauwelijks voorbeelden van grensdoden uit andere werelddelen te vinden.

De belangrijkste reden voor de enorme toename van het aantal 'grensdoden' is het Schengenverdrag uit 1985. Die zorgde ervoor dat de grenscontroles aan de binnengrenzen in de EU geleidelijk werden afgeschaft, maar scherpte de bewaking van de buitengrens juist aan. Met als belangrijkste 'wapen' de eis dat migranten alvorens af te reizen een visum moesten aanvragen. Krijg je dat niet, dan kom je geen vliegtuig in en ben je aangewezen op mensensmokkelaars. En hoe strenger het grensbeleid, des te hoger de prijs en de risico's.

Van dit nieuwe beleid, dat in de loop van de jaren negentig werd geïmplementeerd, waren in eerste instantie vooral Albanese vluchtelingen de dupe. Die ontvluchtten het dictatoriale regime vanaf 1991 in groten getale door per boot de Adriatische Zee naar Italië over te steken. Sindsdien is de 'papieren' grens steeds belangrijker geworden. Tijdens de 'vluchtelingencrisis' van 2015 bleek dat vooral asielzoekers en arbeidsmigranten daarvan de dupe zijn.

In de afgelopen jaren heeft de EU, via allerlei deals met autoritaire regimes (Turkije, Mali, Niger), de buitengrens steeds verder geëxternaliseerd en betaalt zij zelfs Libische milities om mensen tegen te houden.

In de jaren negentig kwamen verreweg de meeste asielzoekers - toen waren het er meer dan in het huidige decennium en ook toen vooral afkomstig uit het Midden-Oosten en de Hoorn van Afrika – nog gewoon per vliegtuig, veerboot, trein of bus. Maar toen Assad in 2014 een oorlog begon tegen zijn eigen burgers, bleken die routes afgesloten en was men aangewezen op wrakke bootjes, met alle gevolgen van dien.

Toen bleek pas goed dat de bouw van 'Fort Europa', met het visumregime als belangrijkste middel om ongewenste migranten zo ver mogelijk weg te houden, een aanzienlijke menselijke prijs heeft. Die prijs wordt door politici gerechtvaardigd door het argument dat Europa anders 'overspoeld' zou worden door miljoenen migranten uit Afrika en Azië.

Daar valt echter veel op af te dingen. Zo is 80 procent van de West-Afrikaanse arbeidsmigranten die naar Noord-Afrika reizen helemaal niet van plan naar Europa te gaan, maar zoeken ze werk in landen als Libië en Algerije. En uit recent onderzoek blijkt dat bijna 60 procent van Syrische vluchtelingen in Turkije zouden blijven ook als ze de gelegenheid zouden krijgen om legaal door te reizen naar Europa. 

Zoals Henk van Houtum en ik in ons boek Voorbij Fort Europa uit 2016 betogen, zijn er goede redenen om de buitengrenzen poreuzer, en daardoor minder dodelijk, te maken. Dat kan wanneer de EU - in de geest van het vluchtelingenverdrag - echt werk maakt van een goede opvang in eigen regio en daarnaast zorg draagt voor hervestiging in de EU.

Daarnaast zouden er legale mogelijkheden moeten komen voor arbeidsmigranten, bijvoorbeeld uit Afrika. Bijvoorbeeld door een systeem van in eerste instantie tijdelijke werkvergunningen, gekoppeld aan een geleidelijke opbouw van sociale en verblijfsrechten en een goede controle van de arbeidsmarkt.

Op die manier kan ook de grove uitbuiting van ongedocumenteerde arbeidsmigranten in landen als Italië en elders beter worden bestreden. In het huidige migratie-pessimistische politieke klimaat is een dergelijke koerswijziging ondenkbaar. Maar als we het niet bij krokodillentranen willen laten als er weer eens een boot zinkt of een vrachtwagen te laat zijn deuren opent, dan zal het dodelijke Fort Europa beleid echt op de schop moeten.

Voor Pham Thi Tra My en haar ouders is dat te laat. Maar voor vele anderen niet.