Leo Lucassen

Leo Lucassen

@Leolucassen

Leo Lucassen is hoogleraar arbeids- en migratiegeschiedenis en Directeur Onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.

Opinie

De Oekraïners komen, maar is dat erg?

07 oktober 2019 06:32

Polen staat vooral bekend als een emigratieland. Er werken ruim een miljoen Polen in andere EU-staten, zoals Duitsland en Nederland, omdat ze daar veel meer kunnen verdienen.

Maar het land is zich in de afgelopen jaren in hoog tempo aan het ontwikkelen als immigratieland. Zo verstrekte Polen in 2017 683.000 verblijfsvergunningen aan migranten van buiten de Europese Unie (derdelanders), waarvan verreweg de meeste werkgerelateerd. En dat naast 1,8 miljoen tijdelijke vergunningen voor seizoenswerk, ook voor migranten van buiten de EU.

Daarmee gaf Polen meer visa af aan die derdelanders dan enige andere EU-lidstaat. Duitsland volgt met 535.000 en Nederland komt met 97.000 op een achtste plek.

Verreweg de meest nieuwkomers komen uit de Oekraïne, een buurland met grote taalkundige en culturele overeenkomsten. Zeg maar, een soort Vlaanderen voor Nederland.

Waar de Oekraïne om de hoek ligt, geldt dat niet voor de eveneens groeiende aantallen arbeidsmigranten uit India, Nepal, Bangladesh en de Filipijnen. In 2018 samen goed voor ruim 11.000 verblijfsvergunningen, een vervijfvoudiging ten opzichte van 2010.

De meeste derdelanders zijn hard nodig als tijdelijke seizoenswerkers in de Poolse landbouw en laaggeschoolde banen in de industrie en logistiek, waar door de lage werkloosheid, nauwelijks mensen te krijgen zijn. Anderen, de hierboven genoemde 683.000, hebben langere dienstverbanden, waardoor het mogelijk is hen vanuit Polen naar andere EU landen te detacheren, zoals Duitsland, Frankrijk, België en Nederland.

In 2017 was Polen goed voor bijna een vijfde van alle detacheringen, van wie een belangrijk deel naar de bouwsector in Duitsland ging. Zij doen dit met een zogenaamde A1-verklaring op zak, die verklaart dat de arbeidsmigrant recht heeft op sociale zekerheid in de zendende staat (in dit geval Polen) en dus geen premies betaalt in het land waar hij of zij tijdelijk werkt. Dit kan zowel gaan om EU-burgers (Polen, Roemenen etc.), maar ook mensen van elders die, zoals de Oekraïners in Polen, in dienst van een Pools bedrijf elders in Europa terecht komt.

Deze detachering van niet-EU arbeidsmigranten is in principe legaal. Het gaat om Poolse bedrijven - of Nederlandse bedrijven die hun hoofdkantoor naar Polen hebben verplaatst - die een klus aannemen in een andere lidstaat en vervolgens hun eigen werknemers naar het buitenland sturen om het werk uit te voeren.

De bouwsector is daarbij favoriet, omdat aannemers in landen als Nederland en Duitsland in de huidige boom niet weten waar ze het personeel vandaan moeten halen. De lange recessie in de bouw blijkt namelijk diepe gaten geslagen te hebben in het nationale aanbod van metselaars, betonvlechters, timmerlieden, stukadoors en loodgieters. Bovendien hebben dat soort beroepen, helaas, al veel langer een slecht imago onder scholieren op het vmbo en mbo.

Maar ook elders in Europa kampt men met dit probleem. Met als gevolg dat niet alleen Polen arbeidsmigranten buiten de EU werft, maar dat ook Tsjechië, Slovenië (Albanezen), Hongarije en Litouwen met gretige ogen naar Oost-Europa en Azië kijken. Net als Polen kampen deze landen met een krimpende bevolking, als gevolg van een laag geboortecijfer en de emigratie van staatsburgers op zoek naar (beter betaald) werk in West-Europa, wat nog wordt versterkt door het illiberale politieke klimaat.

Hoewel al deze arbeidsmigraties in beginsel legaal zijn, ligt misbruik op de loer. De FNV luidt geregeld de noodklok als het gaat om onderbetaling en andere vormen van uitbuiting zoals het inhouden van onredelijk hoge bedragen voor huisvesting, slechte arbeidsomstandigheden en het zwart laten werken van buitenlandse arbeiders. En hoe verder van huis, hoe kwetsbaarder arbeidsmigranten zijn. Niet alleen kunnen ze niet van werkgever wisselen, ze spreken vaak de taal niet, zijn niet op de hoogte van hun rechten en afhankelijk van uitzendbureaus en andere meer of minder louche tussenpersonen.

Voor sommige politieke partijen, zoals de Socialistische Partij, zijn dit meer dan genoeg redenen om het vrije verkeer van personen in de EU aan banden te leggen. Toch is dat geen oplossing, niet voor de migranten, van wie velen veel meer kunnen verdienen dan thuis en zo hun leven verbeteren, maar ook niet voor de Europese arbeidsmarkt.

Of we het nu leuk vinden of niet, vraag en aanbod kunnen alleen goed op elkaar worden afgestemd via migratie. In Nederland en andere West-Europese landen zijn eenvoudigweg te weinig mensen om aan de vraag in een aantal belangrijke sectoren te voldoen. Maar dergelijke onevenwichtigheden doen zich ook elders in de EU voor. Door de mogelijkheid elders veel meer te verdienen en door het gestegen opleidingsniveau blijft er ook in landen als Polen, Slowakije en Hongarije werk liggen, wat weer kansen biedt aan migranten van verder weg.

Dit patroon is verre van nieuw. Al vanaf de zestiende eeuw is arbeidsmigratie een normaal verschijnsel in Europa. De uitdaging is om ervoor te zorgen dat misbruik en uitbuiting wordt uitgebannen. Niet alleen door wetgeving, maar vooral ook door controle en handhaving.

Vakbonden, zoals de FNV, spelen hierbij een belangrijke signalerende rol, maar kunnen alleen succesvol zijn als overheden hun handhavende taak veel serieuzer gaan nemen.