Leo Lucassen

Leo Lucassen

@Leolucassen

Leo Lucassen is hoogleraar arbeids- en migratiegeschiedenis en Directeur Onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.

Opinie

Waarom op 'die VOC mentaliteit!' een hoop valt af te dingen

01 juli 2019 09:17

Vorige week woensdag was er in de media veel aandacht voor twee op het eerste oog zeer verschillende onderzoeken. Het Sociaal Cultureel Planbureau  (SCP) presenteerde de uitkomsten van het eerste grootschalige studie naar hoe mensen denken over de Nederlandse identiteit, terwijl het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) de resultaten presenteerde van een diepgravende analyse naar de bijdrage van de slavernij voor de Nederlandse economie.

Waar veel van de door het SCP bevraagde respondenten het belang van typisch Nederlandse tradities benadrukten, plaatsten de historici van het IISG de Nederlandse geschiedenis juist in een globaal perspectief. Net als nu was Nederland, of meer precies 'De Republiek', in de 17e en 18e eeuw een uitermate open economie die nauw verbonden was met ontwikkelingen in de rest van de wereld.

Zoals ook blijkt uit de vorig jaar verschenen bundel  'De Wereldgeschiedenis van Nederland' ontwikkelde zich vanaf de 16e eeuw aan de kusten van de Noordzee de eerste moderne economie, die een belangrijke speler werd in de eerste ronde van de globalisering (1500-1800). Deze fase kenmerkte zich niet alleen door een voor die tijd ongekende welvaart en een lange periode van massa-immigratie, maar ook door een zeer expansieve rol op het wereldtoneel. Door het succes van de Vereenigde Oostindische Compagnie en de Westindische Compagnie wemelde het in zowel de Indische als de Atlantische Oceaan van Nederlandse schepen die in felle concurrentie met Engeland, Frankrijk, Spanje en Portugal een zo groot mogelijk deel van de snel groeiende koek opeisten.

Waar minder aandacht voor is, is dat die geografische en economische expansie gepaard ging met structureel geweld. Om te beginnen tegen de oorspronkelijke bewoners van de Amerika's en vervolgens tegen zo'n tien miljoen Afrikaanse mannen en vrouwen die als slaven naar de Nieuwe Wereld werden gebracht.

De meesten van hen arriveerden op Caribische eilanden waarvan de bevolking korte tijd daarvoor was uitgemoord of weggevoerd, met het doel om daar grootschalige plantages aan te leggen voor de verbouw van in Europa zeer gewilde producten als koffie, suiker en tabak. Deze 'tabula rasa'-methode was door de bekende Jan Pieterszoon Coen uit Hoorn in 1621 op de Banda eilanden in de Oost toegepast, waar hij de oorspronkelijke bevolking  van zo'n 15.000 mensen liet uitmoorden om hen vervolgens door Aziatische tot slaaf gemaakte arbeiders te vervangen, en de eilanden zo omvormde tot een centrum van nootmuskaatproductie.

Deze genocide moge een extreem incident zijn geweest, maar het internationale onderzoek naar de eerste fase van globalisering laat zien hoezeer grof geweld een onlosmakelijk onderdeel was van de globale economische expansie van Europese zeevarende naties. De Harvard historicus Sven Beckert, bekend van een zeer goed lopende boek over de geschiedenis van katoen, spreekt in dit verband zelfs over 'war capitalism'. Voor Nederland legde die agressieve mondiale expansiedrift zoals we weten bepaald geen windeieren. De Gouden Eeuw waar we allemaal zo trotst op zijn berustte er voor een belangrijk deel op. De prachtige grachtenpanden in Amsterdam zijn stille getuigen.

Slavernij vormde een niet weg te denken onderdeel van dit economische succesverhaal. Om te beginnen waren schepen van de Westindische Compagnie, met Middelburg als zenuwcentrum, goed voor vijf procent van alle transatlantische slaventransporten. Sommige historici vinden dat marginaal, maar het ging wel om meer dan een half miljoen mensen, en dat voor een ministaatje met destijds een inwoneraantal van krap anderhalf miljoen inwoners.

Bovendien wordt vaak  benadrukt dat de winsten in de slavenhandel niet erg hoog waren en hooguit verantwoordelijk voor een half procent van het bruto binnenlands product. Dat klopt, maar daarbij gaan we voorbij aan het feit dat die tot slaaf gemaakte Afrikaanse arbeiders cruciaal waren voor de productie van koffie, suiker, tabak en later katoen, die in grote hoeveelheden naar Europa werden gevaren om daar veredeld en doorverkocht te worden.

De opbrengsten daarvan waren aanzienlijk, zo laat het vorige week gepresenteerde IISG onderzoek zien. In Nieuwsuur legde historicus Pepijn Brandon aanschouwelijk uit dat in de tweede helft van de achttiende eeuw de bijdrage aan het bruto binnenlandse product voor heel Nederland rond de vijf procent bedroeg en voor de economie van  Holland (de huidige provincies Noord- en Zuid-Holland) het dubbele. Dat mag weinig lijken, maar bedenk dat dat min of meer gelijk staat aan de bijdrage van de Rotterdamse haven op dit moment.

Bovendien was de Republiek in die periode in zwaar weer geraakt en kon het deze injectie goed gebruiken. De kop van de NRC ('De economie dreef op de slavernij') mag dan overdreven zijn, de opbrengsten van slavernij waren bepaald niet marginaal.

Het wordt dan ook tijd het structurele geweld waarmee de mondiale expansie ten tijde van de 'eerste ronde van globalisering' (1500-1800) gepaard ging een plaats te geven in de Nederlandse geschiedenis. En daarmee een tegenwicht te bieden aan het idee dat het daaruit voortvloeiende kolonialisme 'een geweldig project' was, zoals Thierry Baudet afgelopen weekend zijn christelijke  gehoor in Gouda voorhield.