Leo Lucassen

Leo Lucassen

@Leolucassen

Leo Lucassen is hoogleraar arbeids- en migratiegeschiedenis en Directeur Onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.

Opinie

De mythe van 'de open grenzen'

17 juni 2019 06:24

In de gepolariseerde discussie over migratie, valt regelmatig de term 'open grenzen'. Meestal wordt de term gebruikt door geharnaste tegenstanders van immigratie en met de aanname dat iedereen die zich ook maar enigszins genuanceerd over migratie en integratie uitlaat voorstander zou zijn van het ongelimiteerd toelaten van immigranten.

Het bontst maakte Thierry Baudet het in aanloop naar de Europese verkiezingen. Ondersteund door een uitermate suggestief filmpje van een extreemrechtse website, wees hij Rutte en Klaver aan als verantwoordelijken voor misdaden begaan door immigranten. Want: 'open grenzen'.

Een kunstje dat hij overigens heeft afgekeken van Geert Wilders en Martin Bosma, die dit frame al jaren aan de man proberen te brengen. Dat dit een levensgrote stroman is, hoeft hopelijk geen betoog. Er is namelijk helemaal geen sprake van open grenzen zoals gesuggereerd door radicaal rechtse politici. Althans niet waar het gaat om mensen die van buiten de EU naar Europa komen.

Sinds de jaren negentig is er een streng visumregime dat arbeidsmigratie uit andere werelddelen reguleert. En asielzoekers wordt het sinds begin deze eeuw, en vooral na 2015, steeds moeilijker gemaakt überhaupt het territorium van een EU staat te bereiken.

Ook om andere redenen is de negatieve retoriek over migratie merkwaardig. Zo realiseert een politicus als Baudet, die ons zo graag terug wil leiden naar het in zijn ogen paradijselijke Europa van voor de Franse Revolutie, waarschijnlijk niet dat in die tijd Nederland (de Republiek) dreef op massamigratie.

Net als nu was het kustgebied van de Noordzee een zeer open economie, die voortdurend mensen van buiten nodig had. En dan ging het naast kooplieden en geleerden, vooral om laaggeschoolde zeelieden (voor de VOC), huursoldaten, tienduizenden seizoensarbeiders (de Polen van nu) en mannen en vrouwen die allerlei laagbetaald, maar noodzakelijk werk opknapten in de vele steden die de Republiek rijk was.

Ook toen leidde dat geregeld tot negatieve beeldvorming, bijvoorbeeld over de stinkende en oliedomme Duitsers, conflicten en criminaliteit. Bekend is het voorbeeld van Elsje Christiaens die in 1664, 18 jaar oud, na een ruzie over de huur het hoofd van haar Amsterdamse hospita kliefde met een bijl en door Rembrandt aan de galg op Noord vereeuwigd werd.

Niettemin hield de hoofdstad haar poorten doelbewust wijd open staan, afhankelijk als men was van nieuwkomers uit Scandinavië, Duitsland, Polen, Frankrijk en Zwitserland. En net als nu waren er ook immigranten die als de ultieme ander werden beschouwd. Zo bleven joodse immigranten, met name de arme ashkenazische joden uit het oosten, tot de (door Baudet verafschuwde) Franse Revolutie tweederangsburgers, die van de meeste gilden geen lid konden worden en van het burgerschap uitgesloten.

Door hun religie en orthodoxe verschijning in het straatbeeld, met kaftans en lange baarden, vormden zij het mikpunt van haat en spot. Vergelijkbaar met wat menig Nederlandse moslim soms te verduren heeft, maar dan nog een graadje erger. Veroordeeld tot precaire beroepen als straathandelaar nam een aantal zijn toevlucht tot criminaliteit en eindigde als lid van de vele 'joodse bendes' die Nederland in de 18e eeuw telde.

Kortom, net als nu zaten er ook toen schaduwkanten aan migratie (deels als gevolg van uitsluiting), maar het grotere verhaal is er een van normaliteit. Migratie was vanzelfsprekend en beperkte zich zeker niet tot rijke en hoogopgeleide vluchtelingen zoals de Hugenoten, die samen met de rijke Sefardische joden nog steeds het beeld van de migratie in de Gouden Eeuw beheersen.

Waar er een blinde vlek is voor de meerderheid van eenvoudige en arme sloebers toen, vergeten we nu maar al te gemakkelijk de hoogopgeleide migranten uit Europa, Amerika, India en Japan. Die hebben we een apart etiket gegeven, 'expats', en spelen in de discussie over migratie en grenzen nauwelijks een rol.

Door dit meten met twee maten ontstaat al snel een beeld van 'goede migranten' toen en 'slechte migranten' nu. Beiden laten echter maar een deel van de werkelijkheid zien en deze scheve vergelijking is niet bepaald bevorderlijk voor ons inzicht in de structurele functie van migratie voor de Nederlandse samenleving.

De feitenvrije bangmakerij van 'open grenzen', wat vooral een codewoord is voor een ongelimiteerde stroom van moslims uit Azië en Afrika, helpt niet echt mee om een nuchtere discussie over de voor- en nadelen van migratie te voeren. Misschien dat deze korte geschiedenisles daar verandering in kan brengen.