Ondernemen

Deze duiker onderzoekt gezonken VOC-schepen

Saskia van Huijgevoort • 28 september 2016 20:32 @Saskia_vanH

Archiefbeeld van een gezonken schip Beeld © iStock

Het klinkt als een jongensdroom: een oud VOC-schip verkennen dat al 276 jaar op de bodem van de zee ligt. Maritiem archeoloog Martijn Manders dook er afgelopen weken naartoe. "Dan zie je ineens twee kanonnen." Zijn doel: het wrak en de economie van de VOC-tijd onderzoeken.

Het Nederlandse schip De Rooswijk zonk in 1740 voor de kust, nadat het op een zandbank was gelopen. Het is een uniek schip, want aan boord lag een grote lading zilveren staven en munten om goederen voor te kopen en salarissen in Indië van te betalen. Het was pas een dag voor het zonk vertrokken van de Rede van Texel en aan boord lag een grote lading zilveren staven en munten om goederen voor te kopen en salarissen in Indië van te betalen. 

Veel vondsten, waaronder vele munten, zilverbaren, maar ook wapens, zijn zo'n tien jaar geleden door een commerciële partij opgegraven, die daarvoor een contract met de Nederlandse overheid had afgesloten. Een deel van deze 'schatten' is te vinden in het Zeeuws maritiem muZEEum in Vlissingen. De bergers haalden echter niet alles naar boven. Manders hoopt met Nederlandse en Britse collega's de overgebleven stukken, maar vooral het schip zoals het daar op de bodem ligt, in kaart te brengen. "Zo kunnen we heel veel achterhalen over de geschiedenis van Nederland als machtige handelspartner in die tijd."

'Zo'n schip is een tijdcapsule'

Zo'n eeuwenoud schip ligt inmiddels niet meer als één geheel op de zeebodem, maar toch maakt dat de tocht niet minder spannend. "We gaan bij het anker van onze boot naar beneden. Vervolgens zwem je een heel stuk onder water. Eerst kom je een anker tegen, dan stukken hout en vervolgens kanonnen", vertelt hij. Door de exacte positie van al deze stukken te achterhalen, kunnen de wetenschappers een beeld vormen van het schip De Rooswijk en de locatie van de al gelichte en de nu nog aanwezige vondsten in de bodem. Dat is nodig om er bijvoorbeeld achter te komen waar en of er smokkelwaar in het schip was verborgen. 

"De officiële lading, waaronder duizenden munten, zat in kisten. Die zijn grotendeels geborgen. We onderzoeken de vondsten die vaak nog onder het zand liggen door heel voorzichtig met onze handen het zand weg te wapperen en met een speciale stofzuiger op te zuigen", vertelt hij. De positie waar de vondsten liggen is belangrijk, want als er verderop in het zand andere waar ligt, zou dat wat kunnen zeggen over het doel waarom deze meegebracht zijn.

"Mensen namen regelmatig stiekem ook privéhandeltjes mee. Het geld was in Nederland goedkoper bijvoorbeeld dan in Indië. Als je het daar naartoe smokkelde, kon je dus veel luxere dingen kopen. Echter: dan moest het wel in het geniep en vaak tussen de persoonlijke bagage worden meegenomen". Zo'n schip is een tijdcapsule, vertelt hij. "Alles is op hetzelfde moment gezonken, dus het kan ook zijn dat zo’n kanon al honderd jaar oud was en opnieuw gebruikt werd." Daardoor kunnen archeologen op een unieke manier een beeld schetsen van de handel en wandel in die tijd.

Wereldhandel in kaart brengen

Sommige spullen hadden al een hele reis afgelegd, voordat ze vanaf de Rede van Texel met de boot vertrokken, legt hij uit. "Nederland was ook in de eeuwen daarvoor een groot handelsland. Er waren bijvoorbeeld zilveren baren (zilverstaven) aan boord. Waar het zilver dat gebruikt werd voor de munten en de baren vandaan komt, kunnen we sinds kort onderzoeken. Is alles uit Peru afkomstig, wat in die tijd veel voorkwam? Of zijn De VOC-baren samengesteld uit zilver van verschillende herkomstbronnen? Ook met lood en ijzer wordt dit soort onderzoek naar de bron van herkomst van het basismateriaal gedaan. Zo zouden de ijzeren staven die als halfprodukten ook in het wrak zijn aangetroffen uit de mijnen van Zweden kunnen komen. Die mijnen werden vooral beheerd door Nederlanders. Ondernemer Louis de Geer had er in de 17de eeuw bijvoorbeeld een groot aantal. Hij wordt nog steeds gezien als de vader van de Zweedse industrie."

Van de geschiedenisboekjes op school leren kinderen vaak dat de VOC de aanstichter is van de Nederlandse Gouden Eeuw. Voor velen zijn die twee dan ook bijna onlosmakelijk met elkaar verbonden. Toch klopt dit niet helemaal, zegt Manders. "Het begon heel anders: Nederland had in de vele decennia daarvoor een bijna-monopolie in de graanhandel. Rondom de Poolse rivier Wisla werd enorm veel graan verbouwd en opgeslagen in graanschuren. Dit graan werd vervolgens naar Nederland vervoerd of in ieder geval via de Amsterdamse beurs verhandeld. In totaal passeerden er tot wel 3000 Nederlandse vaarten per jaar langs de Sont, de vernauwing tussen Denemarken en Zweden."

Die monopoliepositie bracht veel geld op, vertelt hij. "Handelaren hadden soms wel een paar duizend procent winst op hun lading. Dat kwam omdat graan belangrijk voedsel was in die tijd. Je kon dus vragen wat je wilde. Tijdens een hongersnood in Italië einde 16de eeuw lagen de graanschepen net zo lang te wachten bij Texel totdat de Italianen betaalden wat zij wilden." Handelaren die met al dat verdiende geld wilden pronken, kochten dure grachtenpanden en waren betrokken bij de oprichting van de VOC. Zo kon men gemakkelijker luxe porselein en specerijen importeren.

'Leven van bemanningsleden reconstrueren'

Manders en zijn collega's zijn nu vooral benieuwd naar de achtergrond van alle vondsten. Het is lastig om een goed beeld te krijgen met alleen de overgebleven historische geschreven documenten, zoals facturen en administratie uit die tijd. "Al deze bronnen zijn met een reden geschreven: bijvoorbeeld om de stadhouder te informeren, om jezelf vrij te pleiten of om de administratie bij te houden. Dit bepaalde wat er in staat en wat de toon is", vertelt hij. Daarnaast werd er in die tijd amper informatie over het leven van bemanningsleden opgeschreven. "Zolang de spullen maar verscheept werden. Veel dingen waren niet van belang."

Door middel van historisch onderzoek gecombineerd met onderwater archeologie is inmiddels meer bekend over handelsroutes en verbanden die Nederland destijds gebruikte. "Veel mensen denken bijvoorbeeld dat we alleen maar op en neer voeren naar Indië in de VOC-tijd, maar we hadden een heel groot netwerk van handelsposten in Azië. Slechts een deel van deze goederen kwamen in Europa terecht. Er was veel inter-Aziatische handel die werd uitgevoerd door de VOC."

'We willen het verhaal in kaart brengen'

En de arbeidsomstandigheden op al deze verschillende scheepsroutes verschilden enorm. "De VOC was echt het afvoerputje van de maatschappij: als je nergens meer terecht kon dan kon je hier op de schepen nog altijd terecht. Aan boord heerste een strikte hiërarchie. Onderdeks zaten soldaten, die bijna nooit op het dek mochten komen. Het regime op een graanschip was daarentegen veel losser, dat was een hele platte organisatie met een klein team." 

Binnenkort hoopt Manders door te kunnen gaan met het in kaart brengen van het schip. "We hopen ergens in 2017 of 2018. We verkennen de mogelijkheden voor een opgraving. Dan kunnen we het schip en haar lading echt minutieus in kaart brengen."  

"Als je de context weet van al die vondsten, dan kun je veel meer informatie krijgen dan wanneer je losse vondsten an sich hebt. Dan gaat het verhaal pas echt leven en krijgen we niet alleen een inkijkje in het dagelijks leven aan boord van een 18de eeuws schip, maar ook in de economie van die tijd. En zo leren we dan ook weer meer over wie wij zelf zijn, want zonder kennis uit het verleden kunnen we nooit het heden begrijpen en ook geen voorspellingen doen voor de toekomst."

Bron • RTL Z