Economie

Wij en de robots (in die volgorde)

Hella Hueck & Robert Went • 05 december 2014 16:36

Beeld ©

Robots maken allang deel uit van de wereld om ons heen, maar zullen straks pas echt onontkoombaar blijken – als ze niet alleen meer vóór ons, maar ook steeds meer mét ons werken. Hoe gaan we dat samen doen? Deel 2 uit de reeks De economie van overmorgen, waarin Hella Hueck (RTL Z) en econoom Robert Went van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) de kennis van vandaag proberen te vertalen naar de samenleving van de toekomst.

Zoomer de dalmatiër is een van dé sinterklaashits van 2014. Wel 30 commando’s kun je ‘m aanleren. Zoomer, ga liggen! Het nieuwe robotvriendje luistert beter als kinderen vaak met hem spelen en oefenen. Maar als je Zoomer verwaarloost, vergeet hij alles ook weer net zo makkelijk. Net een echte hond. Alleen hoef je deze niet uit te laten en met plastic zakjes achter z’n drollen aan. Voor nog geen 80 euro heb je zo’n stukje hoogwaardige techniek in huis. (Zoek je nog iets origineels voor Kerst? Check deze 25 kadotips voor de ‘Robogeek’)

Thumbnail

Speelgoedrobot Zoomer 

Niet alleen thuis als speelgoed, maar ook op ons werk, in het ziekenhuis of op school gaan we de komende jaren meer robots tegenkomen. De grootste verschuiving wordt dat robots niet alleen vóór ons werken, maar dat we steeds meer mét hen gaan samenwerken. Dat roept nieuwe vragen op over de toekomst van werk, of over hoe ons onderwijs op deze ontwikkelingen moet inspelen. Er komen ook een hoop ethische en juridische vragen op ons af. Mag een verpleegrobot alleen je medicijnen aanreiken, of mag hij ook zeggen dat je niet te veel suiker mag eten, of dat je nog een half uur moet bewegen vandaag?

Wat is een robot ?

In het jaar 2000 kwam in het Verenigd Koninkrijk het woord ‘robot’ 1900 keer voor in het nieuws. In 2013 was dat liefst 15.000 keer. Ook in Nederland stonden de kranten er de afgelopen maanden bol van, na de ‘historische’ speech van Lodewijk Asscher in september. Maar wat is een robot nou precies?


Thumbnail

"Ze zijn goedkoop, snel, nooit ziek, werken 24 uur per dag. Ze vragen nooit om loonsverhogingen, worden niet vertegenwoordigd door vakbonden en staken niet." –

Lodewijk Asscher

Het antwoord op die vraag verschuift steeds. De meeste mensen zullen Zoomer een robot noemen, want die lijkt op een dier. Een zorgrobot die op een mens lijkt, is ook goed herkenbaar. Maar hoe zit dat met een pinautomaat, met de routeplanner in je auto, met de poortjes op een NS-station die je binnenlaten en registreren, of met een slimme thermostaat? Die doen in bepaalde opzichten niet veel anders dan Zoomer.

Ze manipuleren de omgeving. En meer en meer ‘robotica’ is ook slimmer dan Zoomer, leert van ons gedrag en houdt daar rekening mee. Bijvoorbeeld hoe laat kamers in ons huis warmer of kouder moeten worden. Onze auto’s en vliegtuigen zijn in staat autonome beslissingen te nemen en zijn dus ‘robots’, maar we zien dat alleen niet zo. Robotica zit al ‘overal’, en er komen nog veel meer toepassingen: the internet of things verbindt straks onze koelkast, auto, kleding, koptelefoon en wat al niet meer met elkaar.

Wat we daar precies allemaal van gaan merken en hoe snel dat gaat, weet niemand. Ook al doen heel wat juich- en doemverhalen de ronde. Maar wat we in elk geval meer zullen gaan zien, zijn industriële robots, servicerobots en – die is moeilijker – bepaalde vormen van kunstmatige intelligentie (KI). Die drie nemen we onder de loep.

Thumbnail

Industriële robots

Bij VDL Nedcar in Born rolt sinds deze zomer de nieuwe Mini voor BMW van de band. In de hal waar de carrosserie van de auto wordt gemaakt, doen industriële robots van het Zwitserse ABB 99% van de productie. De kans is groot dat je nog nooit gehoord hebt van dit concern, maar het is een miljardenbedrijf. Andere grote robotproducenten zoals Fanuc, Yaskawa Motoman en Kuka zijn afkomstig uit Japan en Duitsland, landen met een sterke auto-industrie. In die sector werd al vroeg met robots gewerkt omdat grote onderdelen voor de mens te zwaar zijn om op te tillen. Nederland speelt een marginale rol als het gaat om het maken van dit soort grote industriële robots. We importeren ze en maken ze hier klaar voor de taak die moet worden uitgevoerd. In 2017 staan er naar verwachting bijna 2 miljoen robots in alle fabrieken van de wereld. Dat blijkt uit het rapport World Robotics 2014 – Industrial Robots. Econoom Mathijs Bouman concludeerde na lezing van het rapport dat Nederland nog lang geen robotland is, afgemeten aan het aantal ‘fysieke’ robots: volgens de International Federation of Robotics (IFR) stonden in 2013 in de Nederlandse industrie 7400 robots, een half procent van het wereldtotaal.

Thumbnail

Thumbnail

De robot Baxter kost maar zo’n 25.000 euro

Dat kan over een paar jaar anders zijn. In Amerika heeft Rodney Brooks, hoogleraar robotica aan het prestigieuze Amerikaanse onderzoeksinstituut MIT, twee jaar geleden de Baxter-robot op de markt gebracht. Die kost maar zo’n 25.000 euro - een jaarsalaris voor een gemiddelde werknemer is hoger. Brooks hoopt met deze goedkope machine, die samenwerkt met mensen in plaats van eenzaam achter een hek z’n ding te doen, een soortgelijke revolutie te veroorzaken als de computerindustrie doormaakte begin jaren tachtig. Toen daalden de prijzen voor pc’s scherp en konden voor het eerst ook mensen zonder ervaring met programmeren ermee uit de voeten. Hier in Nederland heeft het bedrijf Robomotive op basis van een Japanse robot een doorontwikkeling gemaakt die, net als Baxter, robots inzetbaar maakt in kleinere bedrijven, en dus niet alleen in grote productieomgevingen.

"Maken die 'vreselijke' machines mensen echt werkloos? Of zorgen ze ervoor dat er saai werk verdwijnt waarmee je mensen niet moet kwellen?"
– Rodney Brooks
 

Thumbnail

Robots zijn bij uitstek geschikt voor zwaar werk De grote jongens zitten ondertussen ook niet stil. Het Duitse Kuka, een van de grootste robotmakers ter wereld, wil in Nederland zijn activiteiten uitbreiden (pdf) naar onder meer de voedselindustrie, de logistieke sector en de gezondheidszorg. Daarnaast richt een bedrijf als Kuka zich meer op robots die kleiner, wendbaarder en goedkoper zijn dan de grote, statische dure joekels uit de auto-industrie. De recente overname van Swisslog voor 357 miljoen dollar past helemaal in dit plaatje. Dat bedrijf is namelijk sterk in mobiele robots die dadelijk ingezet worden in distributiecentra en ziekenhuizen. Dat soort robots – de begrippen beginnen te vervagen – noemen we 'servicerobots'.

De Duitser Timo Boll is een van de beste tafeltennissers ter wereld. Hij wint ternauwernood van deze industriële Kuka-robot.

Servicerobots

Na de verwoestende aardbeving en tsunami in 2011 zette de Japanse overheid een aantal robots in die met een camera de nucleaire verontreiniging moesten meten in de kernreactor van Fukushima. Deze operatie was te gevaarlijk voor de mens, dus send in the robots!

Pijnlijk detail is dat het om Amerikaanse robots ging. Japan is een van de grootste fabrikanten op het gebied van industriële robots, maar verzaakte goed research naar servicerobots te doen. Nu zijn de Verenigde Staten koploper. Europa beseft dat het een inhaalslag moet maken en steekt voor het eerst serieuze bedragen in civiele robotica. Met het project SPARC wordt, samen met het bedrijfsleven, de komende jaren bijna 3 miljard euro geïnvesteerd. Onderzoek zal worden gedaan naar robot-toepassingen voor de gezondheidszorg, landbouw, transport en het milieu. Het doel is dat het marktaandeel van Europese robotbedrijven in zes jaar groeit van 35 naar 42 procent.

Thumbnail

Een robot aan het werk in Fukushima

Die groei moet vooral gerealiseerd worden door de opkomst van servicerobots. Volgens een conservatieve schatting van de brancheorganisatie International Federation of Robotics worden de komende drie jaar een kleine 135.000 servicerobots verkocht met een waarde van 19 miljard dollar. De grote groei zit in de defensiesector, maar ook in melk- en veeteeltrobots voor de landbouw, en in zelfsturende robots die in ziekenhuizen, musea en supermarkten rondrijden om mensen te helpen.

Volgens Vanessa Evers van de Universiteit Twente, die als hoogleraar onder meer de acceptatie van robots in de samenleving onderzoekt, gaan we servicerobots binnen vijf jaar inderdaad vaker in het straatbeeld zien. “Robots gaan op Schiphol rondrijden, ze worden ingezet als lesmateriaal en gaan rondleidingen geven in openluchtmusea.” Toch is nog heel veel onderzoek nodig om robots écht goed te laten integreren in onze samenleving. “We zijn nu bezig een robot te ontwikkelen die diensten aanbiedt in een drukke forensenomgeving, zoals het verschaffen van informatie. Die moet op een station of op Schiphol begrijpen hoe de sociale situatie is. Is er sprake van een opstootje of staat er gewoon een groep mensen te wachten? In hoeverre hebben mensen haast? Horen mensen bij elkaar of juist niet? Dat is heel complex.”

Nog veel werk aan de winkel dus – hoewel Alan Winfield van het Bristol Robotics Lab er sterk aan twijfelt of het allemaal wel zover komt. Robots hoeven nou ook weer niet zó slim te zijn:

 

"Je hoeft geen filosofisch gesprek met je auto te voeren - vertrouw erop dat hij je veilig van A naar B brengt." 
– Alan Winfield

 

Kunstmatige Intelligentie (KI)

Kunstmatige intelligentie is de meest abstracte van de drie varianten die we hier bekijken. Maar het is er wel eentje met een potentieel enorme impact. Ray Kurzweil, een van de goeroes van KI, claimt zelfs dat het mogelijk gaat worden de structuur van onze hersenen te dupliceren in machines, waarmee een kunstmatige superintelligentie ontstaat.

Verhalen over robots die de mens gaan overheersen, onze Robot Overlords, werden al in de jaren 50 geschreven door sciencefictionauteurs. Een van de mooiste is uit 1954, The Midas Plague, waarin robots de hele productie hebben overgenomen en zo veel maken dat er veel te veel van alles is. De oplossing daarvoor is hilarisch: robots krijgen quota om zelf ook te gaan consumeren.

Absoluut niet realistisch, natuurlijk. Veelbelovender is ‘aangevulde intelligentie’, aldus Walter Isaacson, auteur van onder meer The Innovators en baas van de denktank Aspen Institute. In ‘aangevulde intelligentie’ versterken mens en machine elkaar, stelt hij. “Het combineren van de capaciteiten van de computer en van de mens, het creëren van een symbiose tussen mens en computer, bleek vruchtbaarder dan het streven naar machines die zelfstandig konden denken.” De implicaties hiervan voor onze samenleving en onze manier van werken zullen groot zijn.

Thumbnail

"We moeten heel voorzichtig zijn met kunstmatige intelligentie. Die kan gevaarlijker zijn dan atoombommen." – Elon Musk

Misschien heb je weleens van Watson gehoord, de supercomputer van IBM die je schaakmat zet en quizspelletjes wint. Dat is leuk, maar veel relevanter is wat Watson inmiddels al teweegbrengt in de medische wereld. Hij is omgeschoold om artsen te helpen sneller, en gebaseerd op meer informatie, een diagnose te stellen en om vervolgens een behandelingsmethode te bepalen. Er bestaan duizenden ziektes en syndromen, even zoveel medicijnen, en honderden richtlijnen om patiënten te behandelen. Een arts die alle nieuwe vakliteratuur wil bijhouden die op zijn vakgebied verschijnt, heeft geen tijd meer over om te slapen. Watson kan met een wereldwijde database vol bijvoorbeeld kankergevallen razendsnel door de data heen gaan, analyses maken van doktersrapporten en dan een aanbeveling doen aan de arts. Dat de robot daarna geen bevelen moet geven (daar houden professionals helemaal niet van) maar met de arts in dialoog moet gaan, is inmiddels ook ingecalculeerd. We hebben nu nog een afspraak met een arts, maar heeft die straks chief data doctor op zijn voordeur staan?

Het is opvallend dat economen meestal luchtig doen over de mogelijke nadelige gevolgen van ‘robots’. Er zijn mensen uit de praktijk die er heel anders over denken. Topondernemer Elon Musk en wetenschapper Stephen Hawking zien wél gevaren in de opkomst van kunstmatige intelligentie.

Thumbnail

"De ontwikkeling van volledig kunstmatige intelligentie zou het einde van het menselijk ras in kunnen luiden." – Stephen Hawking

Laten we er een van die negatieve uitwassen uitlichten. De Amerikaanse alleenstaande moeder Jannette Navarro (22), barista bij Starbucks, werd deze zomer beroemd dankzij een hartverscheurend portret. Ze dreigde de controle over haar eigen leven te verliezen door de manier waarop haar werkgever haar werkuren indeelde met automatische planningssoftware. Ze wist maar een paar dagen van tevoren haar werkschema, moest haar zoontje van 4 op de meest onchristelijke tijden naar de opvang brengen, en zat ellenlang in de bus om een paar uurtjes te werken.

In de VS is hierover inmiddels discussie ontstaan. Daar zijn miljoenen Jannettes (m/v). Starbucks heeft al beloofd de werkuren van Jannette menselijker te gaan plannen. Maar het geeft wel aan dat al te enthousiaste verhalen over ‘een nieuwe economie’ waarin ‘we het allemaal zelf doen’ en ‘geen overheid meer nodig hebben’, met een korrel zout moeten worden genomen. Hoe nieuwe technologische ontwikkelingen vorm krijgen en wie er beter van worden, is geen fataliteit die we over ons heen moeten laten komen, zoals het weer. We kunnen – nee, we moeten! - daar met elkaar, instituties, overheden en ondernemingen zelf vorm aan geven.

Dus moeten we ons zorgen maken?

We gingen op bezoek bij Marjolein ten Hoonte, die als directeur arbeidsmarkt en maatschappelijk verantwoord ondernemen bij Randstad overal komt in het land. Ze leest, praat en denkt de hele week na over de vragen en uitdagingen van de toekomst. Onze belangrijkste vraag aan haar: moeten we ons zorgen maken in Nederland? Zijn we goed voorbereid op wat er met robots en verdergaande automatisering op ons afkomt?

Lijstjes banen die het moeilijk gaan krijgen, of waar juist veel meer vraag naar gaat komen, wil ze niet geven. “Dat is speculeren en het heeft geen zin mensen onnodig bang te maken.’’ Maar ze ziet wel dat in het middensegment van de arbeidsmarkt veel banen verdwijnen door digitalisering: assistent-boekhouders, (assistent) hypotheekadviseurs.

Vooral in de bancaire sector gaat het ongenadig hard. Bij ABN Amro, Rabobank, ING en Achmea werden in een jaar tijd bijna 9.000 banen geschrapt. Consumenten regelen steeds meer zelf online, computersystemen worden allemaal aan elkaar gekoppeld, waardoor IT’ers, callcentermedewerkers en administratieve functies overbodig raken. “Er is in het gedrag van klanten meer een revolutie dan een evolutie aan de gang’’, zei ING-topman Ralph Hamers over de reorganisatie die zijn bank vorige week aankondigde.

Thumbnail

De gouden jaren 90 komen niet meer terug

Het zal niet bij deze kaalslag blijven. In de financiële sector verdwijnen de komende vijf jaar waarschijnlijk nog zo’n 15.000 banen, voorspelde uitkeringsinstantie UWV deze zomer in een rapport.

Ook de cijfers over de jaren 1998 tot 2010 van Bas ter Weel, plaatsvervangend directeur van het Centraal Planbureau (CPB), laten het zien: de werkgelegenheid in het middensegment daalt. Al valt het in Nederland in vergelijking met andere landen nog mee.

Thumbnail

Wie praat met deskundigen bij de OESO, de samenwerkingsclub van rijke landen in Parijs, krijgt hetzelfde verhaal te horen: banen in het middensegment staan in toenemende mate onder druk. Iedereen vindt dit zorgwekkend, want we nemen in het rijke westen inmiddels als vanzelfsprekend aan dat onze welvaart en democratie floreren bij een stabiele middenklasse. Een middenklasse die kan rekenen op een gestaag stijgend levenspeil. Dat laatste is al sinds de crisis van 2008 niet meer het geval. En net nu in veel opkomende landen ook een middenklasse begint te ontstaan, komen bij ons meer banen op het middenniveau onder druk te staan.

Thumbnail

Angst voor automatisering anno 1935 (Bron: Limburger Koerier)

Onderliggend is in de wereld en in onze samenleving meer aan de hand, schetst Marjolein ten Hoonte. We leven te veel in mythes. De mythe van de oude maakindustrie waar alles om draait, terwijl het grootste deel van ons brood al lang in de dienstensector wordt verdiend (zoals ook te lezen viel in de vorige aflevering van Economie van Overmorgen).

We geloven ook nog in het sprookje van de verzorgingsstaat, die van de wieg tot het graf voor ons zou zorgen, terwijl steeds meer een actieve houding en eigen initiatief nodig zijn om weerbaar en zelfredzaam te kunnen zijn. En we hechten nog waarde aan de mythe van een langdurige CAO, terwijl niemand meer kan (of wil) rekenen op een baan voor 40 jaar. Dus ja, er is reden tot zorg, al is niet alles af te schuiven op die arme robots. We zullen met die veranderingen om moeten leren gaan.

Ben ik straks mijn baan kwijt?

Allerlei wilde schattingen over het aantal banen dat door robots gaat verdwijnen doen de ronde, tot tientallen procenten van de huidige functies aan toe. Het zijn speculaties. En ook niet onbelangrijk: omgekeerd weten we ook nog niet wat voor nieuwe banen erbij komen, en hoeveel. Daarom laten we dit soort getallen hier bewust achterwege. Maar als je even wilt griezelen, dan moet je dit filmpje ‘Humans need not apply’ echt even bekijken. Je krijgt dan het somberste scenario voorgeschoteld dat je maar bedenken kunt over de mogelijke gevolgen van robots voor ons werk.

Toch durven wij ook na het bekijken van dit filmpje optimistisch te blijven. Er zijn nog zo veel dingen te ontdekken, en nog zo veel dingen te doen. Neurologen weten in de helft van de gevallen nog niet wat de oorzaak is van een beroerte, maar ook niet van een ‘simpele’ migraine. Onderzoekers die zich met polymeren (die de basis vormen voor kunststoffen) bezighouden, hebben het idee dat ze nog maar aan het begin staan van het verzamelen van kennis. Economiestudenten – we schreven daar vorige keer over – willen een opleiding met meer geschiedenis en andere sociale wetenschappen, omdat we nog maar weinig weten over hoe onze economie functioneert. En zijn zoveel maatschappelijke problemen waar we nog geen adequaat antwoord op hebben, van ebola tot vergrijzing. Wat bijvoorbeeld als CO2 geen probleem meer is voor ons klimaat, maar te gebruiken blijkt als brandstof? De Nederlandse wetenschapper Bert Weckhuyzen denkt dat het op termijn kan.

Als we ons op dat soort vraagstukken richten, zijn nog werelden te winnen. Daar moeten we op inzetten. Als over een paar jaar blijkt dat Nederland de boot mist, dan zouden discussies over basisloon, het verdelen van het beschikbare werk, of het financieel ondersteunen van mensen die niet meekunnen hoog op de agenda moeten. Maar juist nu alle belangrijke internationale organisaties, van de ILO en de OESO tot het IMF en de Wereldbank, zich hard maken voor goede banen (‘decent work’) en groei waar iedereen van profiteert (‘inclusive growth’), kunnen wij als - nog steeds - een van de 16 rijkste landen in de wereld (bbp per inwoner) onze ambities op dit punt toch niet gaan terugschroeven?

Onderwijs

Wat betekent dit alles voor ons onderwijs? In het Verenigd Koninkrijk is sinds september dit jaar programmeren een verplicht onderdeel van het curriculum op lagere scholen. Een kind van 5 leert spelenderwijs wat een algoritme is. Zo wordt in de klas een kookrecept besproken. Met koken volg je in stapjes aparte instructies om tot een concreet resultaat te komen. Een computerprogramma schrijven komt eigenlijk op hetzelfde neer. Moeten alle kinderen dan programmeurs worden? Helemaal niet. Het fijne van computers en tablets is nou juist dat je er van alles mee kunt zonder dat je hoeft te weten hoe het werkt; zoals je ook heel Europa door kunt rijden in een auto zonder dat je zelfs maar weet hoe je de motorkap moet openen. Maar door kinderen te leren programmeren, leren ze wel meer grip te krijgen op de wereld om hen heen. Dat zijzelf aan het stuur zitten en bepalen wat een computer moet doen of niet moet doen. En niet andersom.

"In ons nieuwe onderwijs krijgen kinderen computerkunde, informatietechnologie en leren ze digitale vaardigheden: ze leren […] niet alleen hoe je een computer gebruikt maar ook hoe een computer werkt en hoe hij voor jou kan werken." 
– 
Michael Gove, voormalig minister van onderwijs Verenigd Koninkrijk

 

Wat zijn verder vaardigheden die onze kinderen dadelijk moeten hebben? Of we nu ons oor te luister leggen bij de Universiteit van Twente of bij het nieuwe internationale onderzoekslabaratorium van DSM in Geleen, we horen steeds dezelfde dingen terug. Het gaat niet alleen om specifieke, technische kennis, maar ook om sociale vaardigheden. Professor Vanessa Evers (Universiteit Twente) is daar duidelijk over: “Er is behoefte aan studenten die al vanaf het begin van hun studie gewend zijn om samen te werken met ingenieurs, filosofen, psychologen en mensen uit het zakenleven. Het probleem waar de robot een oplossing voor moet zijn, moet vanuit verschillende gezichtspunten bekeken worden. Daar kunnen we in het hoger onderwijs nog een stap maken.’’

Robot Charlie geeft les

En bovendien: we leiden onze kinderen niet alleen maar op voor de arbeidsmarkt. Ze zijn méér dan mini-werknemers in opleiding. Leren keuzes maken, belangen afwegen en empathie ontwikkelen is net zo belangrijk om als mens goed te kunnen functioneren in de maatschappij. Het CPB constateerde afgelopen week dat er in het onderwijs te weinig aandacht is voor de persoonlijkheid en motivatie van kinderen.

Met robots werken vraagt niet alleen om technische kennis. Robots moeten leren mensen te lezen, met hun wispelturige karakters. Daar is psychologische kennis voor nodig. En er zijn zoveel ethische, morele afwegingen te maken. Stel: onze kinderen programmeren dadelijk een zelfrijdende auto. Mag die een kind doodrijden om de bestuurder te laten overleven? Kan een drone in oorlogsgebied ook zelf besluiten zijn kogels af te vuren? Dat soort vragen mogen ook best ruimte krijgen in het klaslokaal.

De rol van het bedrijfsleven

We hoeven niet alleen maar naar de overheid te kijken voor de kwaliteit van ons onderwijs, ook het bedrijfsleven speelt een rol. We zullen eraan moeten wennen, schreef de WRR vorig jaar in het rapport Naar een lerende economie, dat werken en leren steeds vaker samengaan, en dat leren niet ophoudt na onze initiële opleiding. Dat is niet alleen een verantwoordelijkheid van de werknemer, maar ook van de werkgever. Bedrijven gaven vorig jaar helaas 122 miljoen euro mínder uit aan de begeleiding van MBO-ers in leerbanen.

Goeie voorbeelden zijn er ook. Zo start de internetsector een eigen Cloud-college. Daar wordt technische kennis aangeleerd, maar werkgevers als Microsoft en IBM willen dat er ook aandacht is voor andere vaardigheden. “Studenten moeten ook werken aan hun ‘soft skills’: het werken in teamverband, maar ook iets simpels als een schoon T-shirt aantrekken hoort erbij’’, zegt Simon Besteman van brancheorganisatie ISPConnect.

En de rol van de ouders

Staatssecretaris Dekker startte half november een nationale dialoog over de toekomst van ons onderwijs, om in kaart te brengen wat kinderen moeten leren op school zodat ze in 2035 klaar zijn voor de toekomst. Dat traject neemt een paar jaar in beslag. Intussen zijn onze kinderen alweer een paar klassen verder, zonder dat het onderwijsprogramma vanuit de overheid is aangepast. Neem daarom ook het heft meer in eigen handen, is ons advies. Wacht niet af tot de overheid alles voor je regelt. Je kunt op school wellicht een werkgroep starten om met leraren in gesprek te gaan over wat jullie vinden dat kinderen moeten leren. Moeten we gaan experimenteren met 3D-printen op school? Kan de naschoolse opvang programmeerles gaan geven?

Er thuis zelf meer aandacht aan besteden, is natuurlijk ook een optie. Een mooi Nederlands initiatief dat je op weg kan helpen, komt van Ramon Wieleman. Hij heeft de Bendoo Box ontwikkeld, een kleine minicomputer speciaal voor kinderen. En de Amerikaanse universiteit MIT heeft het gratis programma Scratch ontwikkeld, waarmee kinderen zelf (in het Nederlands) spelletjes leren bouwen. Er zijn ondertussen ook genoeg Nederlandse handboeken beschikbaar om koudwatervrees te overwinnen. Dus wat let je…

Het geeft je ook de mogelijkheid met je kind in gesprek te gaan. Als oma een mooie zorgrobot heeft, hoeven we dan straks niet meer bij haar op bezoek? In onderstaand filmpje heeft de zoon van de hoofdpersoon geen tijd om haar op te zoeken, en hij stuurt haar een robot. Changing Batteries is onze grote favoriet onder de robotfilmpjes. Zo ontroerend dat we er een paar traantjes bij wegpinkten.

En nu? Allereerst: geen paniek!

Nee, er is geen reden voor paniek. De ontwikkelingen gaan lang niet altijd zo snel of voorspoedig als ons wordt voorgehouden, of als we denken of vrezen. Zo was de directie van Foxconn, waar Chinese werknemers onze iPhone en iPad in elkaar zetten, van plan 1.000.000 (1 miljoen!) mensen in zijn fabrieken te vervangen door robots. Dat verhaal maakte indruk, ook op ons. Maar daar zijn ze bij Foxconn inmiddels toch op teruggekomen (voor zolang het duurt). De vervanging van mens door robot blijkt minder makkelijk dan ze dachten en is voorlopig gestaakt, en ze zijn nu weer hard op zoek naar meer personeel. En we hebben het wel steeds over het Internet of Things, maar al die spannende lampen en automatisch winkelende koelkasten praten nog lang niet met elkaar. Er is ook nog geen enkel bedrijf dat al die diensten goed weet te integreren en te beheren tot iets waar jij écht iets aan hebt.

Thumbnail

Over de vraag wanneer het mogelijk zal zijn echt auto’s zonder chauffeur op grote schaal in te zetten, lopen de meningen ook sterk uiteen. Want los van technische vragen en problemen zijn er vooral veel ethische en juridische kwesties die nog moeten worden opgelost: over aansprakelijkheid, over de verzekering, over wie het algoritme maakt waarin is vastgelegd of de chauffeur moet worden gered bij een dreigende crash, of het kind dat plotseling de weg op schiet… Dat iets technisch kan, betekent nog niet dat het maatschappelijk snel realiteit is.

Dat over de hele wereld allerlei soorten robots worden ontwikkeld, biedt niet alleen kansen. Het brengt ook risico’s met zich mee. Het leidt niet alleen tot winnaars, maar ook tot verliezers: wat als er straks voor – grote – groepen mensen geen werk meer overschiet?

Dat is waar minister Asscher het in zijn speech over had. En als die vraag moet worden beantwoord, hebben we niet genoeg aan Asscher (die over werk en zekerheid gaat), maar moet ook minister Kamp zich roeren, zijn collega van Economische Zaken, die er voor het bedrijfsleven is. Sterker nog: robots zullen van vrijwel alle bewindslieden aandacht nodig hebben. Minister Hennis moet aanschuiven, want we hebben nog nauwelijks nagedacht over de grote rol (pdf) die robots in oorlogsvoering kunnen spelen. Juridische kwesties, ethische vragen, mogelijkheden van robots in de gezondheidszorg, robots in het onderwijs, de export en import van en voor robotica, de tests met zelfrijdende auto’s waar verkeersminister Schultz toestemming voor heeft gegeven. En dan is er natuurlijk nog het Europese verband, waar premier Rutte van zich zal moeten laten horen.

Let’s rock

Samenhang in het beleid van de overheid tot stand brengen, dwars door alle departementen heen, is niet simpel. Maar als er één terrein is waarop dit toch echt van de grond zou moeten komen, dan is het dat van de robots. Het thema is toekomstgericht, van belang voor het groeivermogen van de Nederlandse economie de komende decennia, heeft risico’s voor werkgelegenheid en ons welzijn, en brengt tal van onopgeloste vragen met zich mee.

Hoog tijd dus voor ROCK, het Robot Overleg ter Coördinatie van Rijksbeleid, waarin alle relevante ministers meedenken en actie en onderzoek coördineren, samen met regio’s, maatschappelijke organisaties, bedrijven (inclusief het midden- en kleinbedrijf), kennisinstellingen en andere relevante actoren. Genoeg werk voorlopig, voor ouders, werknemers, werkgevers en ambtenaren. Aan de slag!

Thumbnail

De auteurs
Dit is het tweede artikel in de serie Economie van Overmorgen van RTL Z-verslaggever Hella Hueck en econoom Robert Went (WRR). Op Twitter kun je ze volgen via @went1955 en @hellahueck. De hele reeks is hier te lezen.

 

Colofon
Matthias Pauw: beeldredactie
Frans Mettes: design
Henrico Prins: eindredactie